Amerikaanse Begraafplaats Margraten
Netherlands American Cemetery and Memorial
Amerikaanse Begraafplaats Margraten (NL)
De Amerikaanse Begraafplaats Margraten, is een Amerikaanse militaire begraafplaats en monument ter nagedachtenis aan de overleden soldaten van de Verenigde Staten van Amerika ten tijde van de strijd in Zuid-Limburg, het Ardennenoffensief en in het Roergebied, gedurende de Tweede Wereldoorlog. De begraafplaats is gelegen tussen de plaatsen Margraten en Cadier en Keer, aan de N278.
De begraafplaats is ontstaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1944 kreeg kapitein Shomon, de toenmalig commandant van de “611th Graves Registration Company (611th GRC)”, de opdracht om voor het Amerikaanse Negende Leger een locatie te vinden voor een begraafplaats. Er werden namelijk veel slachtoffers verwacht bij de opmars naar Berlijn, en men wilde hen niet begraven op vijandelijk grondgebied. Begin oktober 1944 meldde hij zich bij het gemeentehuis van Margraten, dat op 13 september was bevrijd, en kreeg daar de beschikking over 30 hectare grond langs de rijksweg ten westen van de dorpskern. Deze grond werd door de Nederlandse overheid in bruikleen gegeven aan de Amerikanen, en was aanvankelijk verboden terrein voor burgers.
Lees verder
In november begon de daadwerkelijke aanleg – voor de eerdere gebruikers van de grond, enkele tientallen boerengezinnen, onverwacht. Er was geen sprake van overleg. Soms was het mogelijk om de oogst van een perceel grond nog weg te halen voor het begraven begon, maar vaak ook niet. Het duurde jaren voor de benadeelden (zowel grondeigenaren als pachters) een vergoeding kregen.
Nat weer bemoeilijkte de aanleg, en ondanks het storten van stenen en kiezels als tijdelijk semi-verhard wegdek bleek rijdend materieel alsnog weg te zakken in de modderige ondergrond. Het “172nd Engineer Combat Batallion” kreeg de taak om over een afstand van 650 meter een toegangsweg van de Rijksweg naar de begraafplaats aan te leggen. De verwachting was dat die toegangsweg – in de uiteindelijke uitvoering een knuppelpad van aan elkaar vastgemaakte boomstammen met een toplaag van kiezels – door 30 man binnen drie dagen aangelegd zou kunnen worden; uiteindelijk bleek de inzet van vierhonderd man gedurende twee maanden nodig.
Voor de plaatselijke bevolking had de aanwezigheid van de Amerikanen enkele voordelen: men kon makkelijk aan verder schaarse goederen komen (zoals schoenen, zeep, sigaretten, koffie, waspoeder en chocolade, of DDT voor bestrijding van vlooien), vaak in ruil voor wederdiensten zoals onderdak, koken en het herstellen of wassen van kleding. Er werden ook wel (al dan niet gebruikte) lijkzakken verwerkt tot overhemden, tafelkleden, jasschorten en gordijnen.
De manschappen van de 611th GRC, die aan verschillende onderdelen van het Negende Leger waren toegevoegd, hadden als taak om de gegevens van de gesneuvelden te registreren, hun stoffelijke overschotten te bergen en die via verzamelpunten uiteindelijk naar Margraten te transporteren; afhankelijk van de locatie van sneuvelen potentieel een reis van honderden kilometers.
Eenmaal in Margraten aangekomen werden de stoffelijke overschotten afgeladen en van munitie en persoonlijke bezittingen ontdaan op de stripping line en begraven door aanvankelijk de “960th Quartermaster Service Company” (ongeveer 200 man) en vanaf midden december 1944 door de “3136th Quartermaster Service Company”, beide bestaande uit zwarte militairen. Voor veel inwoners van Margraten waren deze Afro-Amerikanen de eerste zwarte mensen die zij in hun leven zagen.
De stoffelijke overschotten – van zowel geallieerde als Duitse gesneuvelden – werden, geheel gekleed, in matrashoezen of lijkzakken verpakt en zonder kist begraven. Van de twee identiteitsplaatjes werd er een meebegraven, het andere werd achterop de bij het graf behorende markering (in de vorm van een kruis of davidster) gespijkerd. Bij een grote aanvoer van gesneuvelden – van soms meer dan 500 op een dag – werden deze, soms pas na enkele dagen, tijdelijk begraven, samen met een glazen pot met daarin de papieren en bezittingen die later weer gebruikt konden worden ter identificatie en registratie. Door een piek in de aanvoer in maart 1945 werd ook hulp gezocht bij de lokale bevolking. Burgemeester J.J.E.H. Ronckers ging de huizen langs om mensen te mobiliseren voor het delven van graven (normaal gesproken twee per persoon per werkdag) en het lokaal transport van de lichamen. Als voorman en contactpersoon van deze Nederlanders fungeerde Jan Silvius, bijgenaamd Hollandse Jan, die Engels had geleerd op de wilde vaart. Ook werden voor de zorg van Duitse oorlogsgraven Duitse krijgsgevangenen ingezet – zij werden elke dag van Hendrik-Kapelle (België) naar Margraten en weer terug gereden.
In februari 1945 werd het Burger Comité Margraten USA Begraafplaats opgericht door burgemeester Ronckers en pastoor Ramakers. Het comité zamelde geld in voor bloemen en missen, probeerde een Tourist House op te richten dat goedkoop onderdak kon bieden aan buitenlandse (met name overzeese) bezoekers, en organiseerde ook de gravenadoptie, met als resultaat dat nog vóór de tweede Memorial Day in mei 1946 alle graven geadopteerd waren. Tot 1953 was een speciale ambtenaar belast met de enorme administratie van meer dan 40.000 systeemkaarten.
Na de oorlog werden op initiatief van opperbevelhebber Dwight D. Eisenhower alle tijdelijke begraafplaatsen in Duitsland geruimd en de stoffelijke overschotten herbegraven in Margraten en Henri-Chapelle, een onderneming die op 30 maart 1946 afgerond werd. Er lagen toen 17.742 Amerikanen en 1026 overige geallieerden (waaronder ruim 700 soldaten van het Rode Leger) begraven, en op een stuk terrein aan de Honthemse kant, van de rest afgescheiden door een heg en gemarkeerd met een bordje “Enemy dead”, ook 3075 Duitsers. Ook was de begraafplaats verfraaid met paden, beplanting, een door Duitse krijgsgevangenen gebouwde kapel en een bezoekerscentrum.
In 1947 werd de begraafplaats in Margraten, tot dan toe tijdelijk, aangewezen als permanente begraafplaats.
De niet-Amerikaanse doden werden verplaatst naar elders: circa 700 slachtoffers uit de voormalige Sovjet-Unie werden herbegraven op het Sovjet Ereveld Leusden, ruim 3000 Duitsers werden verplaatst naar de Duitse militaire begraafplaats in Ysselsteyn. Er kwamen ook graven bij, doordat de Amerikaanse doden die begraven lagen op de begraafplaats in Son en in Molenhoek werden overgebracht naar Margraten. Het totaal aantal graven kwam zo boven de 18.000.
De herinrichting betekende ook dat vanaf eind 1948 alle doden opgegraven en herbegraven moesten worden. Hoewel het onaangenaam werk betrof, waren, met name door het grote gebrek aan werkgelegenheid, veel lokale bewoners bereid hieraan mee te werken. Zij deden het graafwerk tot het stoffelijk overschot werd aangetroffen, waarna de Amerikanen het overnamen. De doden werden naar een loods gebracht, ontdaan van kleding en in een van binnen met witte zijde beklede metalen kist gelegd, en in een houten transportkist geplaatst. De restanten van hun kleding werden verbrand.
De begraafplaats in 1969.
Een groot deel van de stoffelijke overschotten (ruim 10.000) werd gerepatrieerd naar de VS, maar uiteindelijk kregen 8302 doden hun definitieve graf in Margraten. De kisten werden niet, zoals tot dan toe, in rechte lijnen geplaatst in vierkante vakken, maar in gebogen lijnen; daarmee kreeg de begraafplaats haar huidige waaierpatroon. De werkzaamheden bestonden uit het machinaal afgraven van de grond, het storten van een betonnen ondergrond, het arrangeren van de metalen kisten met stoffelijke overschotten, het weer machinaal met grond afdekken, het zaaien van gras, en het plaatsen van de witmarmeren kruisen en davidsterren (vastgezet in een betonnen band). Op deze begraafplaats rusten 6 ontvangers van de “Medal of Honor”, de hoogste Amerikaanse militaire onderscheiding. Hun graven hebben in plaats van een normaal wit kruis een afwijkend kruis met een stervormige, met bladgoud ingelegde markering. Het werk werd voltooid in 1949. De begraafplaats werd toen overgedragen aan de “American Battle Monuments Commission”.
Tussen 1950 en 1960 werd de begraafplaats verder verfraaid met een toren, enkele bijgebouwen en de Walls of the Missing (de namen daarin zijn uitgehouwen door vier Duitsers). Als je op de Wall of the Missing een rozet ziet naast een naam betekent dit dat het stoffelijk overschot van deze persoon is gevonden en geindentificeerd.
Op 7 juli 1960 werd de begraafplaats officieel geopend door koningin Juliana. Na de opening werd een deel van de Nederlanders ontslagen, maar een ander deel bleef in dienst voor onderhoudswerk, waaronder grasmaaien en snoeiwerk.
In 2002 werd het werk van het Burger Comité (door de vergrijzing van het comité) overgenomen door de nieuw opgerichte Stichting Adoptie Graven Amerikaanse Begraafplaats Margraten.
Elk jaar op de zondag voor Memorial Day (de laatste maandag in mei) worden de doden herdacht.
Netherlands American Cemetery and Memorial
Netherlands American Cemetery and Memorial is a Second World War military war grave cemetery, located in the village of Margraten, 10 km (6.2 mi) east of Maastricht, in the most southern part of the Netherlands. The cemetery, the only American one in the Netherlands and dedicated in 1960, contains a constantly varying number above 8,000 American war dead and covers 26.5 hectares (65 acres). It is administered by the American Battle Monuments Commission (ABMC).
The cemetery originated during World War II. In 1944, Captain Shomon, the then commander of the “611th Graves Registration Company (611th GRC)”, was tasked with finding a location for a cemetery for the American Ninth Army. Many casualties were expected during the advance toward Berlin, and they did not want to bury them on enemy territory. In early October 1944, he reported to the town hall of Margraten, which had been liberated on September 13, and was granted the use of 30 hectares of land along the highway west of the village center. This land was leased to the Americans by the Dutch government and was initially off-limits to civilians.
In November, the actual construction began, unexpectedly for the land’s previous users, a few dozen farming families. There was no consultation whatsoever. Sometimes it was possible to remove the harvest from a plot of land before burial began, but often it was not. It took years before the affected parties (both landowners and tenants) received compensation.
Read more
Wet weather hampered construction, and despite the laying of stones and pebbles as a temporary semi-paved surface, vehicles still sank into the muddy ground. The “172nd Engineer Combat Battalion” was tasked with constructing an access road from the main road to the cemetery over a distance of 650 meters. It was expected that this access road, in its final form a corduroy made of tree trunks fastened together with a top layer of pebbles—could be constructed by 30 men within three days. Ultimately, the deployment of four hundred men for two months proved necessary.
For the local population, the presence of the Americans had several advantages: they could easily obtain otherwise scarce goods (such as shoes, soap, cigarettes, coffee, washing powder, and chocolate, or DDT for flea control), often in exchange for reciprocal services such as shelter, cooking, and repairing or washing clothing. Body bags (whether used or not) were also repurposed into shirts, tablecloths, aprons, and curtains.
The men of the 611th GRC, who had been attached to various units of the Ninth Army, were tasked with registering the details of the fallen, recovering their remains, and eventually transporting them to Margraten via collection points. Depending on the location of the casualty, this was potentially a journey of hundreds of kilometers. Upon arrival in Margraten, the remains were unloaded, stripped of ammunition and personal belongings on the stripping line, and buried initially by the “960th Quartermaster Service Company” (approximately 200 men) and, from mid-December 1944, by the “3136th Quartermaster Service Company,” both consisting of Black soldiers. For many residents of Margraten, these African Americans were the first Black people they had ever seen in their lives.
The remains, of both Allied and German casualties—were packed, fully clothed, in mattress covers or body bags, and buried without a coffin. Of the two identification tags, one was buried with the body, while the other was nailed to the back of the marker belonging to the grave (in the form of a cross or Star of David). With a large influx of fallen soldiers, sometimes more than 500 a day, these were temporarily buried, sometimes only after a few days, along with a glass jar containing papers and belongings that could later be used for identification and registration. Due to a peak in the influx in March 1945, assistance was also sought from the local population. Mayor J.J.E.H. Ronckers went door to door to mobilize people for digging graves (normally two per person per workday) and for the local transport of the bodies. Jan Silvius, nicknamed “Hollandse Jan”, who had learned English while sailing the high seas, served as the foreman and contact person for these Dutchmen. German prisoners of war were also deployed to care for German war graves, they were driven every day from Hendrik-Kapelle (Belgium) to Margraten and back again.
In February 1945, the Margraten USA Cemetery Citizens’ Committee was founded by Mayor Ronckers and Pastor Ramakers. The committee raised funds for flowers and masses, attempted to establish a Tourist House that could offer affordable accommodation to foreign (particularly overseas) visitors, and also organized grave adoption, with the result that all graves had been adopted before the second Memorial Day in May 1946. Until 1953, a special official was tasked with the enormous administration of more than 40,000 index cards.
After the war, at the initiative of Supreme Commander Dwight D. Eisenhower, all temporary cemeteries in Germany were cleared and the remains reburied in Margraten and Henri-Chapelle, an undertaking that was completed on March 30, 1946. At that time, 17,742 Americans and 1,026 other Allied soldiers (including over 700 Red Army soldiers) were buried there, and on a plot of land on the Honthem side, separated from the rest by a hedge and marked with a sign reading “Enemy dead,” there were also 3,075 Germans. The cemetery had also been embellished with paths, planting, a chapel built by German prisoners of war, and a visitor center.
In 1947, the cemetery in Margraten, which had until then been temporary, was designated as a permanent cemetery.
The non-American dead were moved elsewhere: approximately 700 victims from the former Soviet Union were reburied at the Soviet War Cemetery in Leusden, and over 3,000 Germans were moved to the German military cemetery in Ysselsteyn. Additional graves were also added as American dead buried at the cemeteries in Son and Molenhoek were transferred to Margraten. The total number of graves thus exceeded 18,000. The reorganization also meant that, starting in late 1948, all the dead had to be exhumed and reburied. Although it involved unpleasant work, many local residents were willing to participate, particularly due to the severe lack of employment opportunities. They performed the digging until the remains were found, after which the Americans took over. The dead were taken to a warehouse, stripped of their clothing, and placed in a metal coffin lined with white silk on the inside, which was then placed in a wooden transport crate. The remains of their clothing were burned.
The cemetery in 1969
A large portion of the remains (over 10,000) were repatriated to the US, but ultimately 8,302 dead received their final burial in Margraten. The coffins were not placed in straight lines in square sections, as had been the case until then, but in curved lines; this gave the cemetery its current fan-shaped layout. The work consisted of mechanically excavating the soil, pouring a concrete foundation, arranging the metal coffins containing the remains, mechanically covering them with soil again, sowing grass, and placing the white marble crosses and Stars of David (secured in a concrete band). Six recipients of the Medal of Honor, the highest American military award, rest in this cemetery. Instead of a normal white cross, their graves feature a distinctive cross with a star-shaped, gold-leaf inlaid marker. The work was completed in 1949. The cemetery was then transferred to the American Battle Monuments Commission.
Between 1950 and 1960, the cemetery was further embellished with a tower, several outbuildings, and the Walls of the Missing (the names carved into them were created by four Germans). If you see a rosette next to a name on the Wall of the Missing, it means that the remains of this person have been found and identified.
On July 7, 1960, the cemetery was officially opened by Queen Juliana. After the opening, some of the Dutch staff were dismissed, but others remained employed for maintenance work, including mowing grass and pruning. In 2002, the work of the Citizens’ Committee was taken over (due to the committee’s aging) by the newly established Foundation for the Adoption of Graves at the American Cemetery Margraten.
Every year on the Sunday before Memorial Day (the last Monday in May), the dead are commemorated.




























