Industrieel erfgoed van Wallonië

De industriële revolutie in Wallonië

De industriële revolutie in Wallonië begon vroeger en verliep sneller dan in de rest van het Europese vasteland. Dankzij enorme steenkoolvoorraden en buitenlandse investeringen werd het de tweede industriële macht ter wereld (na Engeland). Engeland behield echter altijd de technologische voorsprong.
Wallonië was de pionier van het vasteland omdat er goede mogelijkheden waren voor zware industrie.
Er was een ideale combinatie van rijke steenkoollagen (in de regio’s Henegouwen, Luik en Namen), ijzererts en waterwegen. In de 19e eeuw was Wallonië na Engeland en de VS zelfs de derde industriële macht ter wereld.

De teloorgang van de Waalse zware industrie (steenkool en staal) voltrok zich in de tweede helft van de 20e eeuw. Ooit was het Waalse bekken de tweede industrieregio ter wereld, maar veroudering, uitputting van de mijnen en de opkomst van goedkopere internationale concurrentie leidden tot massale sluitingen en zware economische krimp.

De neergang resulteerde in decennialange hoge werkloosheid, braakliggende industrieterreinen (de zogenaamde bruine zones) en een achterblijvend bbp ten opzichte van Vlaanderen. De regio transformeert langzaam. Er is sprake van herbestemming van het verleden.

Vier steenkoolmijnen en of mijndorpen behoren nu tot Unesco Werelderfgoed, evenals de scheepsliften op het Henegouws Plateau.

Wij maakten een reisje langs het industriële verleden van Wallonië.
We bezochten de steenkoolmijnen, de scheepsliften en “het Atomium” in Brussel.
Hoewel dit een beetje buiten het thema valt brachten we ook een bezoek aan het Design Museum Brussel met daarin de “Plastic Design Collection”, een soort historische reis door de wereld van kunststof cq plastic.

Hieronder vinden jullie een korte omschrijving van de plaatsen die we bezocht hebben en een aantal foto’s.

Steenkoolmijn Bois du Cazier (de mijn van Marcinelle)

Bois du Cazier is een kolenmijn in de Belgische plaats Marcinelle, vooral bekend door de mijnramp van Marcinelle die op 8 augustus 1956 het leven kostte aan 262 mijnwerkers. De site is sinds 2012 opgenomen in de lijst van Werelderfgoed en met drie andere kolenmijnen in Wallonië een van de belangrijkste mijnsites van Wallonië. Bois du Cazier verkreeg in 2017 het label Europees erfgoed.

In 1822 verleende koning Willem I der Nederlanden toelating om op deze locatie met mijnbouw te beginnen. Jean-Baptiste De Cazier, die in 1812 overleed, was een tijdlang eigenaar van het terrein en naar hem werd de mijn genoemd. Grauwvuur zorgde voor de sluiting in 1891. Na de overname door S.A. des charbonnages d’Amercoeur in 1899 kocht de SA du Charbonnage du Bois de Cazier de mijn en exploiteerde ze verder. In 1954 begon men aan de constructie van een nieuwe en derde schacht, Foraky genoemd, die een diepte van 1175 m moest bereiken en nog onder constructie was in 1956.

Ook na de ramp van 1956 vond men voldoende mijnwerkers om de uitbating verder te zetten. Bij de ontruimingswerken was men op een nieuwe laag gestoten en in 1957 produceerde de mijn opnieuw steenkolen. In de jaren zestig van de twintigste eeuw haalde men amper 50 ton boven per dag. In 1967 stopte dan ook de exploitatie ondanks verzet van de mijnwerkers.

Vandaag is het een museum en een gedenkplaats voor de grootste mijnramp in België, met ook aandacht voor de glasproductie in de streek van Charleroi. De schachtbokken zijn bewaard en een aantal machines en gebouwen. In het werkhuis zijn er een smidse, smeedhamers, een plaatwals en allerlei werktuigen te zien die verband hebben met de mijnbouw.

Steenkoolmijn Bois du Luc

Bois-du-Luc in Houdeng-Aimeries bij La Louvière was een van de oudste steenkoolmijnen van België (1685-2025). De ontginning werd er gestaakt in 1973, maar de historische arbeiderswijk is bewaard gebleven en nog steeds bewoond. Op de mijnsite is nu een museum gevestigd.

De site bevindt zich in het hart van het Waals centraal steenkoolbekken.
In de cité, aangelegd midden 19e eeuw, kregen de arbeiders onderdak. Alles was aanwezig: een school, feestzaal, ziekenhuis en kiosk voor de plaatselijke fanfare. De mijn zelf is als een middeleeuwse vesting van de arbeiderswijk afgeschermd met hoge muren en ijzeren ophaalpoorten. Handig tijdens sociale protesten.
De winning van steenkool werd gestaakt in 1973. Tegen de geplande afbraak van de site werd heftig geprotesteerd. Een aantal vrijwilligers begonnen in 1974 aan de restauratie, de overheid kocht het domein in 1979 en vervolgens werden de mijninstallaties verder gerestaureerd en sinds 1983 als ecomuseum voor het publiek opengesteld.

Het werk in deze mijn werd uitgevoerd door duizenden Waalse en Vlaamse mijnwerkers. Vlamingen vertegenwoordigden tot 25% van het personeel, het is de kolenmijn in het Centrumbekken die hen de meeste banen oplevert. Ze kwamen met de trein vanuit Brabant en Oost-Vlaanderen, brachten er de week door en werkten vooral ondergronds en ’s nachts. Op de binnenplaats kom je een zwartgelakte locomotief tegen, de ‘train des flamands’. Het is een eerbetoon aan de Vlaamse arbeiders die tot 1963 met de trein naar de Borinage afzakten om in de Waalse mijnen hun brood te verdienen.

Op 2 mei 1894 vallen negen doden en zes gewonden bij een mijnramp in de Saint-Emmanuelmijn, wanneer een bak met zestien inzittenden 350 m naar beneden stort in de mijnschacht.

Rond de Saint-Emmanuelmijn is nog een heel mijndorp, Bois-du-Luc, intact gebleven met twee terrils, spoorweginfrastructuur, ateliers, kantoren, het domein met het “kasteel” van de directeur, de villa’s van de ingenieurs en 166 mijnwerkerswoningen, een café en feestzaal, de Sint-Barbarakerk, scholen en het ziekenhuis. Het dorp, gebouwd van 1838 tot 1853, beslaat een oppervlakte van twee ha.

De steenkoolmijn en het mijndorp van Bois-du-Luc vormen een van de vier sites die gedurende de 36e sessie van de Commissie voor het Werelderfgoed in 2012 tot de belangrijkste mijnsites van Wallonië erkend zijn als UNESCO cultureel werelderfgoed.

Steenkoolmijn "De Grand Hornu"

Le Grand-Hornu is een historisch industrieel mijnbouwcomplex in de Borinage ten zuidwesten van Bergen in de provincie Henegouwen. Het ligt in de gemeente Boussu bij de plaats Hornu. De site is een belangrijk voorbeeld van industrieel erfgoed van de industriële revolutie en een vroeg voorbeeld van functionele stedenbouw bij het begin van de 19e eeuw. Henri De Gorge (12 februari 1774 – 22 augustus 1832) bouwde de stadswijk, de werkplaatsen, de kantoren en de eigenaarswoning “Kasteel De Gorge” tussen 1810 en 1830. De neoklassieke stijl gebruikt booggewelven, geveldriehoeken en halfronde vensters.

Eind 18e eeuw verwierven Charles Godonnesche en twee vennoten de rechten om steenkool te ontginnen rond Quaregnon en Boussu. Door financiële en exploitatieproblemen verkocht de weduwe Godonnesche in 1810 de concessie aan een kolenhandelaar en filantroop uit Rijsel, Henri De Gorge. De Gorge was geboren in 1774 als Henri Degorge en liet zijn naam splitsen. Hij herstartte de productie, vergrootte de concessie en boorde extra putten, aanvankelijk zonder succes. Bij de vijfde put (“Sainte-Eugénie”) vond hij winstgevende kolenlagen.

De ligging van de site, bij het Kanaal Bergen-Condé maakte een transport richting Parijs en Antwerpen via de Schelde mogelijk en bevorderde de verkoop.

Omdat het moeilijk was om arbeiders te vinden en te houden, bouwde De Gorge aanvankelijk een slaapzaal en in 1816 een arbeiderswijk. De uitvoering werd toevertrouwd aan de Rijselse architect François Obin. Na zijn dood in 1825 nam Bruno Renard uit Doornik de taak over. Renard genoot zijn opleiding in Parijs en raakte er vertrouwd met de Koninklijke zoutziederij van Arc-et-Senans van Claude-Nicolas Ledoux en inspireerde er zich op voor de verdere uitbouw van le Grand-Hornu.

De Gorge kreeg af te rekenen met een arbeidersopstand die zijn installaties en zijn woning plunderden. De aanleiding waren de sporen (de eerste in België, met wagens getrokken door paarden) die De Gorge tot bij het kanaal legde. De mijnwerkers voelden zich bedreigd door de mechanisatie. Ze sloegen de mijnsite kort en klein, terwijl De Gorge zich verschanste – verkleed als mijnwerker – in een duiventil boven de stallen.

In 1831, bij de opening van de machinezaal, waren de werken voltooid. De productie bereikt in 1832 120.000 ton. In datzelfde jaar stierf De Gorge aan cholera. Met 1000 tot 1500 werknemers behoorde de mijn tot de voornaamste van de streek. Weduwe Eugénie Legrand nam de leiding over, een uitzondering. Slechts drie vrouwen konden zich toen baas van een industriële onderneming noemen. In 1843 richtten de erfgenamen de “Société civile des Usines et mines de houille du Grand-Hornu” op.

Aan de ontginning kwam in 1954 een eind door de politiek van de EGKS. Arbeiderswoningen werden verkocht, waarbij de huurders, veelal arbeiders van de mijn, een voorkooprecht kregen. In de hoop er munt te slaan, werd het mijncomplex leeggeroofd. De site raakte in verval en in 1969 besliste een Koninklijk Besluit over te gaan tot sloping, met protest als gevolg. Het vooruitzicht was dat een grootwarenhuis de plaats zou innemen. De plaatselijke architect Henri Guchez kocht het complex voor een symbolisch bedrag (het bedrag van de sloop) in 1971 en voorkwam zo de afbraak.

Architect Guchez renoveerde met eigen middelen een deel van het complex en richtte er kantoren in. In 1984 belastte de provincie Henegouwen de vereniging Grand-Hornu Images met het beheer en de uitbating. De vereniging legde zich toe op tentoonstellingen rond design en grafiek.

In 1989, onder impuls van bestendig afgevaardigde Claude Durieu (later gouverneur van Henegouwen), kocht de provincie het complex en renoveerde verder. De financiële steun vanuit de Koning Boudewijnstichting (fondsen ter beschikking gesteld door de Nationale Loterij) maakte deze aankoop mogelijk. De provinciale hotelschool kwam zich in een deel van het complex vestigen, evenals de provinciale computervennootschap.

In 2002 opende in het gerestaureerde ingenieursgebouw en in een moderne aanbouw, van architect Pierre Hebbelinck, het MAC’s (Musée d’Art Contemporain). In nog andere gebouwen werden het mijnmuseum en tijdelijke tentoonstellingen georganiseerd.

In 2010 vierde men het 200-jarig jubileum en hoopte men erkenning als werelderfgoed door de UNESCO. In 2012 werd de site samen met 3 andere mijnsites als de belangrijkste mijnsites van Wallonië voorgedragen als werelderfgoed aan de UNESCO tijdens de 36e sessie van de Commissie voor het Werelderfgoed. De 4 sites kregen positief advies en zijn op de werelderfgoedlijst geplaatst.

De Steenkoolmijn van Blégny

De steenkoolmijn van Blegny is een voormalige kolenmijn in het Luikse steenkoolbekken gelegen nabij Trembleur in de gemeente Blegny, ten noordoosten van de stad Luik in België. Het is een publiekelijk toegankelijke mijn die erkend is als Unesco werelderfgoed.

De mijn heeft twee schachten, die hier tot 8 niveaus omlaag reiken, met een diepste punt van 530 m. Alleen niveau 1 en 2 (op -30 m en -60 m) staan nog boven het grondwater. Schacht 1 dient als toegangspunt van de ondergrondse rondleiding. De tweede schacht Marie l’Espérance is in gebruik voor de ventilatie van de galerijen, hier is ook bovengronds een museum ingericht. Verder zijn er exposities in de voormalige werkplaats en de kolenwasserij. Naast de mijn ligt de terril van Blegny met een hoogte van 43 m, waarop de steenresten gestort werden.

Een ondergrondse rondleiding met een gids door de mijn bevat een verkenning van de galerijen op -30 en -60 meter en een afdaling door de pijler van steenkoollaag Grande Mascafia, de rondleiding eindigt bovengronds in de kolenwasserij.

In de steile wanden van de naburige rivierdalen werd al in de vijftiende eeuw steenkool gedolven op het landgoed Leval voor de monniken van de Abdij van Val-Dieu. Een ordonnantie uit 1716 vermeldt dat de tolheffing in Fort Navagne aan de Maas te Moelingen voor een scheepsvracht steenkool uit Trembleur twaalf stuivers bedraagt. De eerste schacht werd in 1779 afgediept. In 1883 fuseerden twee mijnbedrijven van Trembleur en Argenteau maar gingen in 1887 failliet. De Société Anonyme des Charbonnages d’Argenteau nam in 1919 de concessie weer op. Tijdens de Duitse invasie in mei 1940 werd schacht 1 en de kolenwasserij door het Belgische leger opgeblazen, de exploitatie ging door via schacht Marie. Tussen 1942 en 1948 werden de vernielde schacht en kolenwasserij herbouwd. Op het hoogtepunt in 1970 produceerde de mijn 232 000 ton steenkool met een personeelsbestand van 680 personen.

Tot 1980 werd de mijn uitgebaat door Société anonyme des Charbonnages d’Argenteau-Trembleur. Na de sluiting werd de mijn voor het publiek opengesteld als toeristische attractie. Tot 1991 reed naar de mijn een toeristische tramverbinding, genaamd Li Trimbleu. Na een ongeval werd deze lijn gesloten. De mijnsite is als onderdeel van het Hasardbekken ten noordoosten van Luik en bij Wezet, een van de vier belangrijkste mijnsites van Wallonië en als dusdanig in 2012 door de Commissie voor het Werelderfgoed van de UNESCO tijdens zijn 36e sessie erkend als cultureel werelderfgoed en bijgevoegd op de werelderfgoedlijst. Op 17 december 2015 werd de mijnconcessie formeel beëindigd verklaard door de Waalse regering.

Het hellend vlak van Ronquières

Het Hellend vlak van Ronquières is een scheepslift nabij het Belgische dorpje Ronquières. Het is een hellend vlak op het Kanaal Charleroi-Brussel. Het overbrugt het hoogteverschil met het Henegouws Plateau.

Op 9 maart 1957 stemde de Belgische regering in met een plan om een aantal grote vaarwegen te moderniseren en geschikt te maken voor vaartuigen tot 1350 ton. Het Kanaal Charleroi-Brussel werd ook in de plannen opgenomen. Bij de plaatsen Ronquières, Arquennes en Seneffe nam het bochtige kanaal een hoogteverschil van meer dan 60 meter. In de 19e eeuw waren hier zestien sluizen aangelegd om dit hoogteverschil te overbruggen. Het passeren van al deze sluizen, over een afstand van circa twee kilometer, kon tot twee dagen oplopen. Modernisering van het kanaal vereiste een oplossing voor dit probleem in de vorm van een soort scheepslift.

Het hellend vlak werd na een bouwtijd van zes jaar op 1 april 1968 opgeleverd. Het vlak is 1400 meter lang en overbrugt een verval van 68 meter, met een hellingsgraad van bijna 5%. Er zijn twee scheepsbakken van elk 85,50 meter lang en 11,60 meter breed. De bakken rijden als wagons over rails en worden met kabels voortbewogen. Elke bak heeft een eigen contragewicht, dat op rails onder de bak doorgaat. De bakken kunnen zo onafhankelijk van elkaar werken, wat van belang is voor het onderhoud en bij eventuele storingen. In zulke gevallen werkt het vlak gewoon door, maar met beperkte capaciteit. De totale kosten voor het werk bedroegen ongeveer 3,1 miljard Belgische frank (ongeveer 590 miljoen euro in 2025, gecorrigeerd voor inflatie), ongeveer tweemaal meer dan bij de start van de bouw werd gedacht.

Het vlak voorziet zichzelf van energie. Naast de helling ligt een buis waardoor water stroomt dat een turbine aandrijft, die de elektrische energie voor het kunstwerk levert.

Van dit hellend vlak wordt weleens gezegd dat het tot de grote nutteloze werken behoort, omdat het gebruik van het kanaal na de opening van het hellend vlak stelselmatig afnam. De sluiting van de Waalse steenkolenmijnen was hier zeker een oorzaak van. Later trok het gebruik weer enigszins aan, totdat in het ’topjaar’ 2006, 5215 schepen werden doorgesluisd. In 2010 was dat aantal gedaald tot 4790 schepen.

De scheepsliften op het Centrumkanaal

De scheepsliften op het Centrumkanaal zijn vier hydraulische scheepsliften op het historische Centrumkanaal, nabij de Belgische stad La Louvière, ontworpen door de Britse ingenieur Edwin Clark. Ze werden gebouwd tussen 1888 en 1917, en overbruggen samen een verval van zo’n 68 meter. Eén lift overbrugt 15,4 meter en de andere drie elk 16,93 meter.
De scheepsliften liggen op de waterweg tussen de Maas en de Schelde, het Centrumkanaal in de provincie Henegouwen. In 1998 zijn de vier liften toegevoegd aan de Werelderfgoedlijst van de UNESCO

 

Het Centrumkanaal is gegraven in de tweede helft van de 19e eeuw. De steenkoolmijnen van Henegouwen floreerden maar er was een sterke behoefte om de rivieren Samber en Schelde met elkaar te verbinden. Het grootste probleem bij de aanleg van het kanaal was een hoogteverschil van 66 meter over een afstand van zes kilometer tussen Houdeng-Goegnies en Thieu. Er waren hiervoor 17 schutsluizen noodzakelijk. Dit zou leiden tot twee belangrijke nadelen, het schutten van schepen kost veel tijd en met iedere sluisgang gaat veel water verloren.
In het Trent and Mersey Canal had men hetzelfde probleem opgelost door de bouw van een hydraulische scheepslift bij Anderton in Engeland. Deze lift, een ontwerp van Edwin Clark, was speciaal ontworpen om een groot hoogteverschil te overbruggen met een minimaal waterverbruik. De Belgische ingenieurs namen dit ontwerp over. Er werden vier vergelijkbare scheepsliften gebouwd, een die een hoogteverschil overbrugt van 15,40 m, geopend in 1888, en drie van 16,93 m geopend in 1917. De liften zijn geschikt zijn voor schepen tot 350 ton (type spits).

Elke lift bestaat uit twee bakken. Een bak is 43 meter lang, 5,8 m breed en 3,15 m hoog. Het water in de bak staat 2,4 m hoog. De bakken rusten op gigantische drijvers, of zuigers, in cilinders gevuld met water die diep in de grond steken. Het water in de twee ondergrondse cilinders is met elkaar verbonden. De bakken werken simultaan waarbij de dalende bak het water naar de andere cilinder perst en zo de andere bak omhoog duwt. De ene bak is het tegengewicht van de andere bak waardoor er relatief weinig energie toegevoegd hoeft te worden om de verplaatsing te realiseren. Om de verticale beweging in gang te houden kan water aan de dalende bak worden toegevoegd of wegstromen uit de stijgende bak.
De bak is afgesloten met deuren aan beide uiteinden. Deze hefdeuren zijn dubbel uitgevoerd, een deur gaat mee met de bak en de andere deur blijft achter en sluit het kanaalpand af.
De grote vaste verticale vakwerkconstructies aan beide zijden houden de bak op zijn plaats. Bovenop de drie pijlers ligt een dwarsverband met in het midden een huisje voor de bediening van de lift.
Bij elke lift staat een machinegebouw. De werking van de lift is gebaseerd op hydrauliek. Hier staan machines opgesteld die de waterdruk verzorgen en een grote hydraulische accumulator om de druk op peil te houden. Deze installaties zijn nodig voor het openen en sluiten van de hefdeuren en van de waterkleppen en overige activiteiten die kracht nodig hebben.

Sinds 2002, worden de 19e-eeuwse kunstwerken enkel nog voor de pleziervaart gebruikt. Het goederenvervoer wordt namelijk sindsdien omgeleid via de grote scheepslift van Strépy-Thieu die het verval van 73,15 meter in een keer overbrugt. Scheepslift nr. 1 te Houdeng-Goegnies werd begin 2002 zwaar beschadigd toen een opgehaalde sluisdeur voortijdig neerviel op een binnenschip dat de liftbak verliet. De lift werd pas in mei 2011 opnieuw geopend voor de scheepvaart.

Scheepslift Nr. 1, Houdeng-Goegnies, Hoogte 15,40m

De eerste lift vlakbij La Louvière raakte in 2002 zwaar beschadigd waardoor het oude Centrumkanaal jarenlang onbevaarbaar was. Gelukkig was de nieuwe scheepslift van Strépy-Thieu net dat jaar afgewerkt.

Scheepslift Nr. 2, Houdeng-Aimeries, Hoogte 16,93

Scheepslift Nr. 3, Strépy-Bracquegnies, Hoogte 16,93m

Bij deze lift kun je de machinezaal bezoeken. Het machinegebouw drijft de scheepsliften 2 en 3 aan, die vlakbij elkaar liggen.

Scheepslift Nr. 4, Thieu, Hoogte 16,93m

Wij bezochten de scheepsliften 1 en 3 en de machinekamer bij scheepslift 3.

De scheepslift van Strépy-Thieu

De Scheepslift van Strépy-Thieu is een scheepslift op het Centrumkanaal in de Belgische provincie Henegouwen. De lift ligt op de grens van Strépy-Bracquegnies en Thieu, vandaar de dubbele naam Strépy-Thieu. Het kunstwerk overbrugt het hoogteverschil met het Henegouws Plateau. Het besluit de installatie te bouwen werd in 1976 genomen, het project kwam in 2002 gereed.

Op het oude Centrumkanaal waren eind 19de – begin 20ste eeuw vier hydraulische scheepsliften gebouwd. De capaciteit van dit kanaal was echter beperkt tot schepen van scheepsklasse I of maximum 300 ton. Al in 1947 gingen er in België stemmen op om het netwerk voor de binnenvaart te moderniseren voor klasse IV-schepen tot 1350 ton. Op 9 maart 1957 keurde het Belgische parlement de zogenaamde 1350-ton wet goed, die bepaalde welke bevaarbare waterwegen gemoderniseerd zouden worden. De werken aan het Centrumkanaal startten in 1964 met de bouw van twee nieuwe sluizen in Havré en Obourg-Wartons.

Het resterende hoogteverschil van 73,15 m bleef een knelpunt. Verschillende oplossingen werden bestudeerd: een hellend vlak, een hellend kanaal, een “trap” met sluizen of een scheepslift. Uiteindelijk werd in 1976 gekozen voor een omleidingskanaal en een scheepslift. Het oude kanaal met twee sluizen en de vier historische scheepsliften, dat volgens de plannen uit de jaren zestig gedempt zou worden, werd een beschermd monument en werd op 2 december 1998 door UNESCO als werelderfgoed erkend.

Het werk startte in 1982. Door allerlei staatkundige hervormingen en oplopende kosten werd het een erg langdurig project.  In 2002 werd de scheepslift uiteindelijk geopend.

Het gebouw van de kabellift is 135 m lang, 117 m hoog en 81 m breed. Met de lift kan er een niveauverschil overbrugd worden van 73,15 m en deze lift vervangt op haar eentje de vier hydraulische liften van het historisch Centrumkanaal en de twee sluizen. Er zijn twee bakken die onafhankelijk van elkaar opereren. Elke bak is 118,6 m lang, 16,5 m breed en 8 m hoog.[1] De bakken zijn geschikt voor schepen tot 1350 ton. Het leeggewicht van een bak is 2200 ton. Gemiddeld staat er zo’n 3,75 meter water in de bak en afhankelijk van de hoeveelheid water in de bak ligt het totaalgewicht tussen de 7200 en 8400 ton. Elke bak is verbonden aan acht grote tegengewichten met een nagenoeg identiek gewicht. De tegengewichten en de bak zijn verbonden met 144 dikke staalkabels. Er zijn vier motoren om de bak verticaal te verplaatsen. De bak is afgesloten met deuren aan beide uiteinden. Deze hefdeuren zijn dubbel uitgevoerd, een deur gaat mee met de bak en de andere deur blijft achter en sluit het kanaalpand af.

In de jaren tachtig van de twintigste eeuw betwijfelde men het nut van de aanleg en meende dat wegvervoer meer toekomst had. Uiteindelijk bleek het kanaal toch zijn nut te bewijzen binnen een geïntegreerd vervoersbeleid waarbij de binnenvaart een duurzaam alternatief vormt voor de dichtgeslibde wegen.

Op 2 september 2002 voer het eerste schip door de lift, het cementschip Freedom. Sedertdien kende het scheepvaartverkeer een gestage toename tot 2007: tussen 2000, het laatste jaar met statistieken over het oude kanaal en 2013 is het volume (in ton) op het nieuwe Centrumkanaal nagenoeg vertienvoudigd. Het aantal schepen is slechts vier keer groter geworden; dat komt doordat het nu om veel grotere schepen gaat.

De "Plastic Design Collection"

De Plastic Design Collection (voorheen het Plasticarium) is een verzameling van het Design Museum Brussel opgericht door verzamelaar Philippe Decelle, bestaande uit voorwerpen vervaardigd met kunststof, waaronder meubels van bekende ontwerpers. De verzameling geeft een overzicht van het gebruik van plastic uit de periode tussen 1960 en 1973 en toont hoe de plasticcultus hip was in die tijd.

De verzameling omvat iets meer dan duizend verschillende voorwerpen uit kunststof, voornamelijk plastic uit de jaren 70 van de 20e eeuw, toen plastic nieuw en in opkomst was. Ontwerpers konden toen hun fantasie meer de vrije loop laten dankzij dit nieuwe materiaal.

Onder meer bevat het het eerste meubel dat volledig uit plastic vervaardigd werd uit 1960. De verzameling bestaat uit werk van bekende ontwerpers, zoals de Panton Chair van Verner Panton en de eerste uitvoeringen van meubels van Joe Colombo, Eero Aarnio, Philippe Starck en Charles Kaisin. Ook het bekende merk Tupperware vindt men er terug.

De verzameling heeft tegen eind 2014 een vaste stek gekregen in het Design Museum Brussel, vlak bij het Atomium aan de Heyzelvlakte.

Het Atomium

Het Atomium is een monument in het Heizelpark in het noorden van Brussel. Het werd in 1958 opgeleverd als onderdeel van de Expo 58. Het bouwwerk is een stalen constructie die bestaat uit negen bollen met elk een diameter van 18 meter. De bollen vormen samen het kubisch ruimtelijk gecentreerde kristalstructuur van ijzer, 165 miljard maal vergroot. Het gebouw werd ontworpen door ingenieur André Waterkeyn. Na een restauratie in 2004 is het bekleed met platen van roestvast staal. Vijf van de negen bollen zijn toegankelijk voor het publiek met in de bovenste bol een restaurant met panorama over de stad.

Het bouwwerk wordt gerekend tot de modernistische architectuur. Een van de redenen dat voor de structuur van een atoom is gekozen, is dat de wereld destijds in de ban was van de opkomende kernenergie. Het uranium dat destijds in Belgisch-Congo gewonnen werd, speelde hierin een cruciale rol. De uitgebeelde kristalstructuur is gekanteld gepositioneerd. Het is een kubus die op een van de hoekpunten balanceert. Elke bol moet een ijzeratoom voorstellen waardoor het gebouw eigenlijk een molecuul vormt. De naam is een porte-manteauwoord waarin de termen atoom en aluminium worden samengevoegd. In het meertalige België wordt het zowel in het Frans als Nederlands min of meer hetzelfde uitgesproken.

Van 2004 tot 2006 onderging het monument een twee jaar durende opknapbeurt. Het Atomium was gedurende die tijd gesloten voor het publiek. Op 21 december 2005 werd de nieuwe buitenverlichting van het Atomium getest. Oorspronkelijk was het Atomium ook al verlicht, maar de lampen waren al snel kapot. De meridianen van elke bol zijn afgedekt met rechthoekige staalplaten, waarin ledverlichting is geïntegreerd. De ledtoepassing verlicht de bollen, kan de lichten ook laten knipperen en kan de lichten op een meridiaan na elkaar laten knipperen, waardoor het traject van een elektron rond zijn kern wordt gesymboliseerd. 

Het monument is 102,70 meter hoog (de diagonaal van de kubus). Het grondvlak is een zeshoek met een diagonaal van 94 meter. De negen bollen, die een diameter van 18 meter hebben, bestaan elk uit 48 driehoekige platen van 1 mm dik. Voor de restauratie waren er 720 platen per bol.

Elke bol, die een “sphere” wordt genoemd, heeft een buitenoppervlak van 1082 m² en elk niveau heeft een vloeroppervlak van 240 m² (er zijn steeds twee niveaus per sphere). De bovenste bol heeft drie niveaus. Het is mogelijk om met de lift naar de bovenste bol te gaan, waar een restaurant is gevestigd en men uitzicht heeft over de stad.

Met de roltrappen en vaste trappen bereikt men de basisbol, (waarin permanent Expo 58, de tentoonstelling en een terugblik op de jaren 50 is te zien), de tentoonstellingsbollen met tijdelijke tentoonstellingen en de bovenste bol met restaurant;
Dan is er de kinderbol, deze is niet voor het algemene publiek toegankelijk, maar enkel voor schoolgroepen, die er in kunnen overnachten.
De bollen zijn met elkaar verbonden door middel van roltrappen en vaste trappen. De drie buitenste hoge bollen hebben geen verticale dragers en zijn om veiligheidsredenen gesloten voor het publiek.

Enkele bollen kregen een naam. Zo werd de centrale bol naar André Waterkeyn genoemd. Een zijdelingse en de onderste bol werden respectievelijk naar de Nobelprijswinnaars Ilya Prigogine en François Englert genoemd. Een andere zijdelingse bol is de Kinderbol.